WTA 2004-2

WTA 2004-2

2004

Omschrijving

Autisme en gehechtheid

Autisme en gehechtheid

Er is ruim bewijs dat kinderen met autisme gehechtheidgedrag kunnen laten zien, hoewel onderzoeken ook rapporteren dat kinderen met autisme minder responsief zijn en minder contact zoeken en handhaven. In deze bijdrage zullen we eerst de literatuur bespreken die beschikbaar is over autisme en gehechtheid. Daarna zullen we aan de hand van een meta-analyse kijken naar de algemene trend van gehechtheidsgedrag in kinderen met autisme. Hierbij zullen we ook kijken naar de moderatoren die de verschillen tussen de empirische studies naar autisme en gehechtheid verklaren.

Summary 
There is ample prove that children with autism can show attachment behaviour, although inquiries also report that they are less responsive and seek and maintain less contact. In this article we first will discuss existing literature on the subject autism and attachment. Using a meta-analysis,we then will focus on general features of attachment behavior of children with autism, including moderators explaining the different results empirical studies in this field produce.

Gehechtheid
Onder gehechtheid wordt de emotionele band verstaan die een jong kind aangaat met zijn opvoeder (Ainsworth, Blehar,Waters en Wall, 1978; Bowlby, 1969; 1982; Cassidy en Shaver, 1999). Het gehechtheidsysteem wordt geactiveerd als het kind bijvoorbeeld moe is of stress ervaart. Op zulke momenten zoekt het kind veiligheid bij de opvoeder (voor het gemak zullen we in het vervolg over ‘moeder’ spreken). Het zoekt nabijheid of contact en kan daarna, als het gerustgesteld is, weer verder spelen. Gehechtheidgedrag weerspiegelt de verwachtingen die een kind heeft van de reactie van moeder als het kind steun en troost bij haar zoekt, en is gebaseerd op ervaringen in interacties met de moeder in de eerste levensjaren (Ainsworth, 1979). De verwachtingen van het kind bepalen zijn strategieën voor het omgaan met stress.
Om de kwaliteit van gehechtheid te meten, hebben Ainsworth, Blehar, Waters en Wall (1978) de zogenaamde “Vreemde Situatie Procedure” ontwikkeld voor kinderen tussen de 12 en 21 maanden. Tijdens de procedure wordt de moeder gevraagd de spelkamer twee maal een paar minuten te verlaten, waarbij het kind de eerste keer achter blijft met een onbekende en de tweede keer alleen. Classificatie van de kwaliteit van gehechtheid is gebaseerd op de reactie van het kind op de terugkeer van de moeder. De twee herenigingepisodes worden gescoord op de schalen nabijheid zoeken, contact handhaven, vermijding en resistent gedrag.
Op basis van de scores op deze schalen wordt er een gehechtheidclassificatie toegekend. Er worden vier classificaties onderscheiden. Veilig gehechte kinderen (Type B) gebruiken de gehechtheidfiguur als een basis van waaruit de wereld verkend wordt. Deze kinderen lijken een balans te vinden in gehechtheidgedrag en exploratie. Aan het gedrag van de zogenaamde onveiligvermijdende kinderen (Type A) valt weinig of niets op te merken wanneer de moeder de kamer verlaat. Bij de hereniging met de moeder gaan type A kinderen de moeder uit de weg, kijken van haar weg en/of richten zich op het speelgoed. De onveilig-ambivalente kinderen (Type C) zijn tijdens de gehele procedure gericht op de moeder. Deze kinderen reageren heftig op de separatie en ze laten tijdens de hereniging een mengeling zien van contact zoeken en contact afwijzen. De vierde classificatie, gedesorganiseerde gehechtheid (Type D), wordt gegeven aan kinderen die een (tijdelijke) ‘breakdown’ laten zien in hun strategie om met deze stressvolle situatie om te gaan.

Meer info
3,90
Gezichtsherkenning bij kinderen met PDD-NOS

Gezichtsherkenning bij kinderen met PDD-NOS

Dit artikel beschrijft een onderzoek naar gezichtsherkenning bij kinderen met een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anderszins omschreven (Eng. PDD-NOS). In tegenstelling tot de meeste andere onderzoeken op dit gebied worden niet alleen de fouten, maar ook de reactiesnelheden gemeten. Dit geeft de mogelijkheid om te onderzoeken of kinderen met PDD-NOS een andere strategie gebruiken bij het herkennen van gezichten. Aan het onderzoek namen 26 normaal intelligente 7 tot 10-jarige kinderen met PDD-NOS en 65 zich normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd deel. Beide groepen kregen twee computertaken voorgelegd: een gezichtsherkenningstaak en een taak waarin abstracte visuo-spatiële patronen moesten worden herkend. De patronen waren gemakkelijk of moeilijk te herkennen.
De zich normaal ontwikkelende kinderen herkenden de gezichten sneller dan de moeilijk herkenbare patronen. De kinderen met PDD-NOS daarentegen hadden bijna net zoveel tijd nodig voor de gezichten als voor de moeilijk herkenbare patronen.De resultaten suggereren dat kinderen met PDD-NOS een kwalitatief andere strategie gebruiken bij het herkennen van gezichten dan zich normaal ontwikkelende kinderen. Ze gebruiken een strategie die meer tijd en aandacht vraagt. Men zou ook kunnen zeggen dat het herkennen van gezichten bij kinderen met PDD-NOS minder geautomatiseerd of ‘Gestalt-achtig’ verloopt dan bij zich normaal ontwikkelende kinderen.

Summary 
The present study investigates the accuracy and speed of face recognition in children with a Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified (PDDNOS, DSM-IV,APA, 1994).The study includes a clinical group of 26 non-retarded 7- to 10-year-old children with PDDNOS and a control group of 65 normally developing children of the same age.Two computerised reaction time tasks were administered: a face recognition task and a control task designed to measure the recognition of abstract visuo-spatial patterns.The latter were either easily or difficult to distinguish from a set of alternative patterns.
The normally developing children recognised the faces faster than the hardly distinguishable abstract patterns. The children in the PDDNOS group needed an amount of time to recognise the faces that almost equalled the time they needed to recognise the abstract patterns that were difficult to distinguish.The results suggest that,when processing faces, the children with PDDNOS use a strategy that is more attention-demanding and hence less automatic or “Gestalt-like” than the one used by the control children. The results are discussed in the light of a theory that explains the development of coherent mental representations.

Het goed en snel kunnen herkennen van gezichten is een belangrijke vaardigheid in het dagelijkse sociale verkeer. Gezichten bevatten een schat aan relevante sociale informatie. Ze bevatten informatie over iemands identiteit, maar ook informatie over de psychologische wereld, de ‘binnenkant’ van anderen, over gevoelens, bedoelingen en gedachten. De informatie die kan worden afgelezen van iemands gezicht medieert in belangrijke mate de sociale interactie. Heel jonge kinderen zijn sterk gericht op gezichten. Baby’s van twee à drie maanden oud kijken in verhouding langer naar gezichten dan naar andere objecten (o.a. Durkin, 1995, Hobson, 1993), kunnen verschillende gezichten van elkaar onderscheiden (o.a. Durkin, 1995) en reageren ook op de verschillende gezichtsuitdrukkingen die anderen laten zien. (o.a. Barrera & Maurer, 1981; Nelson & Horowitz, 1983, in Durkin, 1995).
Dit artikel gaat over gezichtsherkenning (d.w.z. het herkennen van de identiteit van iemand op basis van diens gezicht1) bij kinderen met een mildere stoornis uit het Autisme Spectrum: PDD-NOS. Er is bij deze groep nog relatief weinig onderzoek gedaan naar het vermogen gezichten te herkennen. Dit in tegenstelling tot de hoeveelheid onderzoek naar gezichtsherkenning bij kinderen met autisme. We zullen het artikel beginnen met een kort overzicht van de literatuur over gezichtsherkenning bij autisme en PDD-NOS. Vervolgens zullen we het vermogen gezichten te herkennen plaatsen in een theoretisch kader over informatieverwerking. Daarna zullen we de bevindingen beschrijven uit ons eigen onderzoek.

Meer info
3,90
Het trainen van zelfbeheersing bij agressief gedrag

Het trainen van zelfbeheersing bij agressief gedrag

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze men door individueel gerichte trainingen de zelfcontrole van jongeren met PDD-NOS die agressief gedrag vertonen, kan vergroten. Uiteindelijk moet de beheersing van het gedrag overgenomen worden door de persoon zelf en niet blijvend steunen op de beheersing van buitenaf, zo wordt in dit artikel betoogt. Een voorbeeld uit de praktijk gebaseerd op ervaringen in De Steiger.

Summary 
This article demonstrates that young individuals with PDDNOS and aggressive behaviour who undergo specific and selective training can reduce that behaviour.This article argues that eventually the control of this behaviour must be taken over by the individuals themselves and should not be continuously dependent on control from the outside. A practical example is based upon experiences in De Steiger. 

Inleiding
Agressief gedrag is een regelmatig voorkomend probleem bij autistische jongeren. Gedragsproblemen en agressie lijken inherent aan de autistische stoornis en worden onder invloed van de adolescentiefase nog eens versterkt. De Steiger, centrum voor klinische behandeling voor jongeren met een autismespectrumstoornis, biedt klinische behandeling aan 36 jongeren in de leeftijd van 14 tot en met 21 jaar gedurende maximaal twee jaar. Eén van de toelatingscriteria is dat de jongere geen verstandelijke beperking heeft. 
Binnen De Steiger vertonen vooral de jongeren met de diagnose PDD-NOS gedragsproblemen. Deze categorie jongeren verzet zich vaak sterk tegen de aangeboden structuur. Bovendien komt een aantal van onze jongeren tijdens of na hun behandeling op De Steiger terecht in een minder gestructureerde woon/werkomgeving. Dit zijn redenen geweest om na te denken over een trainingsprogramma dat deze jongeren kan helpen hun agressief gedrag beter te reguleren.

Agressief gedrag bij autistische adolescenten
Mensen met autisme vertonen in de adolescentie vaker gedragsproblemen (Mulders, Hansen en Roosen, 1996). Deze fase betekent vaak een heropleving van temper tantrums, agressie en ander onaangepast gedrag. Dit hangt samen met de vele lichamelijke- en psychologische veranderingen, maar ook met de zwaardere eisen die de omgeving stelt. Omdat er meestal sprake is van oppervlakkige aanpassingen en aangeleerde vaardigheden, wordt de autistische jongere sociaal en emotioneel vaak te hoog ingeschat; dit gebeurt met name bij hoogfunctionerende mensen met autisme. Dit kan leiden tot depressiviteit of agressief gedrag. Agressief gedrag komt bij autistische jongeren niet frequenter voor dan in de kinderleeftijd, maar de effecten zijn ingrijpender door hun toegenomen lichaamskracht en lichaamsgrootte (Schopler en Mesibov, 1983).

Meer info
3,90
Sociaal cognitieve ontwikkeling bij kinderen en jeugdigen met het syndroom van Asperger

Sociaal cognitieve ontwikkeling bij kinderen en jeugdigen met het syndroom van Asperger

Asperger syndroom (AS) is een duidelijk te onderscheiden variant binnen de groep autismespectrum stoornissen. Met name verbale intelligentie en Theory Of Mind (TOM) zijn hierbij discriminerende factoren. Voor de diagnostiek en behandeling is het belangrijk om deze discriminerende factoren en in het bijzonder de sociaal cognitieve ontwikkeling in kaart te brengen en er expliciet rekening mee te houden bij de behandeling. In dat kader zijn de TOM test en de sociale cognitietraining belangrijke hulpmiddelen.

Summary 
Asperger’s Syndrome (AS) is a clearly to distinguish variant in the group of autism spectrum disorder. Especially verbal intelligence and Theory Of Mind (TOM) are factors of discrimination. For diagnostics and treatment these factors are important in mapping the social cognitive development of youngsters with AS. Recommendations are given concerning specific diagnostics and interventions, and in this context the TOM test and the social cognition training are important recources.

Inleiding
In deze bijdrage wordt de sociaal cognitieve ontwikkeling bij kinderen en jeugdigen met het syndroom van Asperger beschreven. Alvorens in te gaan op dit specifieke onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling bij kinderen en jeugdigen inclusief een analyse van het concept van de Theory Of Mind (TOM), wordt beknopt het syndroom van Asperger beschreven met een toespitsing op het onderscheid tussen het Asperger Syndroom (AS) en hoog functionerende autisten (HFA). Vervolgens zal in dit kader kort ingegaan worden op het belang van de TOM test als relevant handelingsgericht psychodiagnostisch instrument en de daar bij aansluitende sociale cognitietraining als specifiek remediëringsprogramma.

Syndroom van Asperger
Binnen de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders) classificatie is het syndroom van Asperger een variant binnen de groep autisme spectrumstoornissen. Het betreft een variant, net zoals autisme en aan autisme verwante contactstoornissen. Toch is het niet zo eenvoudig. Er zijn veel publicaties aan gewijd en eigenlijk bestaat er nog geen consensus over de vraag of het syndroom van Asperger wel een specifieke variant is. 
Internationaal vinden er interessante discussies plaats of het Asperger Syndroom (AS) niet hetzelfde beeld is als de zogenaamde hoog functionerende autisten (HFA).
Even terug naar de DSM. Volgens dit internationale classificatiesysteem (met als enige doel uniforme communicatie op basis van algemene richtlijnen) ontwikkelt de spraak bij mensen met AS zich meestal normaal. Zij kunnen meestal al vroeg goed spreken: er is geen significante algemene achterstand in de taalontwikkeling. Dit zou het enige verschilpunt zijn met de groep autisme. Zo eenvoudig ligt het in werkelijkheid evenwel niet. Het is interessant in het kader van diagnostiek en behandeling om de achtergronden van dit verschilpunt tussen de beide beelden nader te bekijken.

Meer info
3,90