Stereotiep gedrag, autismespectrumstoornissen en verstandelijke beperking

Stereotiep gedrag, autismespectrumstoornissen en verstandelijke beperking

Productgroep WTA 2002-2
Dirk Kraijer | 2002
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Stereotiep gedrag, in onze definitie stereotiepe omgang met het eigen lichaam en met objecten omvattend, komt zeer veel voor in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Als belangrijke predisponerende factoren zijn bekend: laag niveau van functioneren en het lijden aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD). Wij deden bij in totaal 1.157 KDC-bezoekers en inrichtingsbewoners twee separate onderzoeken naar de gewichtsverhouding van deze beide factoren. Het lijden aan een PDD blijkt zeer significant het sterkst samen te hangen met het vertonen van stereotiep gedrag. Op basis van oudere literatuur en recent onderzoek wordt tevens aannemelijk gemaakt dat het bij mensen met een PDD niet alleen gaat om een kwantitatief verschil in stereotiep gedrag, maar ook om een kwalitatief verschil. Beide aspecten hebben grote consequenties voor de bejegening.

Summary Stereotypic behaviour, in our definition including stereotypic manipulation of own body and stereotypic handling of objects, can be frequently observed in the field of mental retardation. Known as important predisposing factors are: low level of functioning and suffering from a pervasive developmental disorder (PDD). In two surveys, based on a sample of in total 1,157 children attending day care centres and children, adolescents and adults living in residential institutions, the roles of these two predisposing factors were examined. Suffering from a PDD was found to be a significantly more crucial factor in showing stereotypic behaviour. In addition to this quantitative difference, a review of the literature gives evidence of a qualitative difference between stereotypic behaviour of PDD and non-PDD mentally retarded persons. Both aspects have far-reaching practical consequences.

1 Inleiding
1.1 Stereotiep gedrag en verstandelijke beperking 
Zodra we in aanraking komen met mensen met een verstandelijke beperking stuiten we op het verschijnsel stereotiep gedrag. Afhankelijk van de gebruikte definitie van stereotiep gedrag en van de herkomst en samenstelling van de onderzoeksgroep vond men een frequentie van voorkomen oplopend tot een kleine 70% (Berkson & Davenport, 1962; Kaufman & Levitt, 1965; Bartak & Rutter, 1976; Kraijer, 1990; Bodfish et al., 1995).
Stereotiep gedrag komt zeker ook voor bij niet-verstandelijk beperkte mensen, in het bijzonder bij zeer jonge kinderen, maar de frequentie van voorkomen bij normaalbegaafde kinderen ligt veel lager. Verder is er sprake van een voorbijgaand verschijnsel dat door sommigen, zoals Piaget, zelfs als een ontwikkelingsstadium wordt gezien.
Binnen de categorie verstandelijk beperkte mensen blijkt nog een extra samenhang met stereotiep gedrag te bestaan: hoe lager het niveau van functioneren, hoe frequenter we stereotiep gedrag waarnemen. Zo ongeveer de eerste onderzoekers die tot deze bevinding kwamen, zijn Berkson en Davenport (1962) en Berkson en Mason (1963, 1964). Al met al kunnen we stellen dat niet alleen een verstandelijke beperking, maar ook de graad van deze beperking een predisponerende factor vormt voor het vertonen van stereotiep gedrag.