Stereotiep gedrag, in onze definitie stereotiepe omgang met het eigen lichaam en met objecten omvattend, komt zeer veel voor bij mensen met een verstandelijke beperking.Als belangrijke predisponerende factoren zijn bekend: laag niveau van functioneren en het lijden aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD).Wij deden onderzoek bij 256 personen met het Downsyndroom en 55 mannen met het fragiele-X-syndroom naar de invloed van beide factoren. In tegenstelling tot onze bevindingen bij de algemene populatie mensen met een verstandelijke beperking zien we bij deze twee genetisch bepaalde syndromen géén grotere invloed van het lijden aan een PDD op de frequentie van voorkomen van stereotiep gedrag. De meest waarschijnlijke verklaring hiervoor wordt besproken evenals de diagnostische consequenties.
Summary
Stereotypic behaviour, in our definition including stereotypic manipulation of own body and stereotypic handling of objects, can be frequently observed in the field of mental retardation. Known as important predisposing factors are: low level of functioning and suffering from a pervasive developmental disorder (PDD). In two surveys concerning 256 persons with Down syndrome and 55 males with fragile-X syndrome, the roles of these two predisposing factors were examined. In contradistinction to the picture found in the general population persons with mental retardation in these two genotypes, suffering from a PDD was not found to be a more crucial factor for displaying stereotypic behaviour.The most probable explanation and the diagnostic consequences of these results are discussed.
1 Inleiding
1.1 Algemeen
In nummer 2; 2002 van het WTA werd verslag gedaan van een onderzoek naar de invloed van het hebben van een verstandelijke beperking, respectievelijk een autismespectrumstoornis, ofwel PDD, op het voorkomen van stereotiep gedrag (Kraijer, 2002). Onder stereotiep gedrag werd verstaan stereotiepe, ongewone omgang met objecten, SterObj, en stereotiepe omgang met het eigen lichaam, SterLich. Bij de 1.157 in het onderzoek betrokken kinderdagcentrumbezoekers en inrichtingsbewoners bleek het hebben van een verstandelijke beperking zeker samen te hangen met het voorkomen van stereotiep gedrag. De invloed van het additionele lijden aan een PDD, bleek echter significant groter te zijn. Wat betreft het onderzoek dat thans beschreven wordt, is van belang dat de betrokken 1.157 personen ongeacht de etiologie van hun verstandelijke beperking deelnemers waren aan het vorige onderzoek.
1.2 Het Downsyndroom
Het meest bekende syndroom binnen de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking is nog steeds het Downsyndroom, hier verder aangeduid als DS. Deze nieterfelijke genetische afwijking komt relatief vaak voor (1 per 700 tot 1000 geboortes), gaat gepaard met een blijvend ontwikkelingstekort en is in getalsmatig opzicht de belangrijkste duidelijk aanwijsbare somatische oorzaak van een verstandelijke beperking. DS wordt dan ook genoemd als etiologie voor zo’n 10% van de vooral ernstig en matig verstandelijk beperkte mensen. Echter, mensen met een diepe en een lichte verstandelijke beperking komen bij DS ook voor.