Rejection Sensitivity Dysphoria (RSD) krijgt steeds meer aandacht binnen autistische gemeenschappen. De term verwijst naar extreme sociale (emotionele) pijnreacties op waargenomen afwijzing, kritiek en pesterijen. De Amerikaanse psychiater William Dodson introduceerde dit begrip op basis van praktijkervaring met ADHD. In dit essay analyseer ik zes mogelijke argumenten voor het bestaan van RSD bij mensen met autisme: vier afkomstig uit Dodsons beschrijvingen van RSD en twee uit de wetenschappelijke literatuur. Hoewel autistische mensen gevoeliger kunnen zijn voor sociale pijn, is er vooralsnog geen overtuigend bewijs van dat deze reacties een kwantitatief of kwalitatief uniek fenomeen vormen. Desondanks is het belangrijk om hun doorleefde sociale pijnervaringen serieus te nemen en te onderzoeken hoe deze kunnen worden voorkomen of verlicht.
SUMMARY
Rejection sensitivity dysphoria (RSD) has gained increasing attention within autistic communities. The term refers to extreme social (emotional) pain responses to perceived rejection, criticism, and bullying. Th e American psychiatrist William Dodson introduced the concept based on his clinical experience, suggesting that the social pain responses in people with ADHD diff er from those in other groups. In this essay, I analyse six potential arguments for the existence of RSD in people with autism: four derived from Dodson’ descriptions of RSD and two from the scientifi c literature. Although autistic people may be more sensitive to social pain, there is currently no convincing evidence that these responses represent a quantitatively or qualitatively unique phenomenon. Nevertheless, it is important to acknowledge their social pain experiences and to research how to prevent and alleviate them.
Negatieve sociale ervaringen, zoals afwijzing, kritiek en pesterijen, zijn allang bekend als bronnen van intens emotioneel lijden. Zo beschreef de grondlegger van de Amerikaanse psychologie William James (1890/1950) buitensluiting als ‘erger dan marteling’. Tegenwoordig wordt dit lijden vaak sociale pijn genoemd, omdat het in deels overlappende hersengebieden wordt verwerkt als fysieke pijn (Eisenberger, 2012). Vanuit evolutionair perspectief is sociale pijn goed verklaarbaar, omdat sociale inclusie cruciaal is voor onze overlevingskansen. Een gevoelig sociaal pijnsysteem geeft ons dan ook de motivatie om sociale banden te behouden en te herstellen (Eisenberger & Lieberman, 2004). Echter, bij veelvuldige negatieve sociale ervaringen wegen de voordelen van sociale pijn niet langer op tegen de nadelen. In een meta-analyse concludeerden Holt-Lunstad, Smith, Baker, Harris en Stephenson (2015) bijvoorbeeld dat de gevolgen van chronische sociale isolatie vergelijkbaar zijn met het roken van 15 sigaretten per dag en twee keer zo gevaarlijk als obesitas.
Sociale pijn is een universele menselijke ervaring met een intensiteit — de sociale pijngevoeligheid1 — die per individu verschilt (Umeda & Park, 2024). Als oorzaak voor sociale pijn wijzen theorieën vooral op negatieve sociale levenservaringen (bijv. Romero‐Canyas et al., 2010). Bij mensen die veelvuldig zijn afgewezen, bekritiseerd of gepest, zou het sociale pijnsysteem gevoeliger zijn afgesteld (Chester et al., 2012). Andere onderzoekers hanteren bredere, bio-psychosociale modellen, waarin ook individuele factoren als genetische aanleg en copingvaardigheden een rol spelen (bijv. Reinhard et al., 2020). Longitudinale studies hebben sociale pijngevoeligheid in verband gebracht met een groot aantal negatieve mentale, lichamelijke en psychosociale uitkomsten, waardoor het wordt erkend als een belangrijke voorspeller van psychisch en sociaal welbevinden (Gao et al., 2017).