Psychofarmaca bij autisme

Psychofarmaca bij autisme

Productgroep WTA 2002-1
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

In dit artikel wordt een korte samenvatting gegeven van de huidige kennis over de farmacotherapie bij autisme. De studies op dit gebied zijn vrijwel altijd verricht met kinderen, jeugdigen en volwassenen met een Autistische Stoornis, Stoornis van Asperger of een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven (Engelse afkorting: PDDNOS). Deze drie beelden worden in de tekst kortweg met “autisme” aangeduid.

Inleiding
Het is zinvol om aan het begin van dit overzicht enkele opmerkingen en richtlijnen te maken over de context van psychofarmaca bij kinderen met autisme. 
1. De oorzaak van autisme wordt toegeschreven aan een genetische aanleg, in interactie met grotendeels onbekende omgevingsfactoren. Hoewel toenemend bewijsmateriaal voor een genetische basis wordt gepubliceerd, blijft men in het ongewisse over de pathogenese, het ziekteproces van autisme. De huidige waaier aan farmacotherapeutische mogelijkheden is dan ook vooral gebaseerd op het testen van bestaande middelen die al voor beelden zoals bijvoorbeeld psychose, depressie, angst of hyperactiviteit voorgeschreven werden.
2. Het is verstandig om farmacotherapie te zien als ondersteuning of voorwaarde voor het succes van niet-medicamenteuze behandelingen. 
Deze behandelingen bestaan vrijwel altijd uit het organiseren van een intens gestructureerde omgeving rond een patiënt waarbinnen gedragsveranderingen tot stand gebracht kunnen worden.
3. Met tussenpozen van 6 maanden tot een jaar moet het effect, de noodzaak en de bijwerkingen van de farmacotherapie door ter zake deskundigen met de ouders en patiënt besproken worden.
Over farmacotherapie bij psychiatrische beelden zoals autisme zijn grofweg vier soorten publicaties te vinden: een “zuivere” groep zo goed mogelijk gekarakteriseerde patiënten die dubbelblind placebogecontroleerd wordt onderzocht met goed gedefinieerde effectmaten. Verder wordt open onderzoek gepubliceerd, hier is veelal sprake van een minder zuiver gekarakteriseerde (maar ook dichter bij de praktijk staande) groep patiënten, die met soms wat “grovere” effectmaten wordt bekeken. Als derde zijn er vele klinische anekdotes (ingestuurde brieven) te vinden in de diverse klinische tijdschriften. De vierde categorie wordt gevormd door invloedrijke berichten op internet en andere communicatievormen tussen ouders. 
Hieraan wordt aan het einde van dit hoofdstuk aandacht besteedt. De hiernavolgende aanbevelingen over psychofarmaca bij autisme zijn vooral gebaseerd op de eerste twee soorten publicaties, spaarzaam aangevuld met klinische anekdotes en eigen ervaringen. De tekst is geschreven met de bedoeling dat de kennis op een toegankelijke manier wordt weergegeven voor mede behandelaars en geïnteresseerde ouders. 
Het gepubliceerde onderzoek over effecten en bijwerkingen van psychofarmaca is sterk samengevat weergegeven. Omwille van de overzichtelijkheid zijn de zelden gebruikte psychofarmaca niet opgenomen in de tekst. Twee recente gedetailleerde Engelstalige reviews voor medici zijn wel in het literatuuroverzicht opgenomen (Buitelaar en Willemsen-Swinkels 2000,Tsai 1999).