In dit korte artikel wordt de stand van zaken weergegeven wat betreft de effecten en bijwerkingen van medicatie bij autisme. Bij patiënten met een Autisme Spectrum Stoornis komt een aantal symptomen en gedragingen voor die gunstig kunnen reageren op medicijnen. Deze symptomen worden beschreven en de daarbij behorende middelen van keuze worden genoemd, almede de hantering ervan.
Summary
Patients with Autistic Spectrum Disorders show a number of symptoms and behaviours which respond to medication. This short paper describes the efficacy and side-effects of several groups of the relevant psycho-active agents.
Inleiding
In deze “update” wordt de stand van zaken wat betreft de effecten van medicatie bij autisme geactualiseerd. De tekst is geschreven met de bedoeling dat de kennis op een toegankelijke manier wordt weergegeven, ook voor niet-medici en geïnteresseerde ouders. Alleen de in Nederland verkrijgbare middelen worden genoemd. De studies op het gebied van Autisme Spectrum Stoornissen zijn altijd verricht met kinderen, jeugdigen en volwassenen met een Autistische Stoornis,
Stoornis van Asperger of een ernstige Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven (Engelse afkorting: PDDNOS). Deze drie beelden tezamen worden in de tekst kortweg met “autisme” aangeduid. Er zijn geen studies op het gebied van Multiple Complex Developmental Disorder (MCDD), deze groep kinderen wordt echter in de praktijk wel met de middelen behandeld die in deze update genoemd worden.
Het blijft zinvol om vooraf enkele opmerkingen en richtlijnen te maken over de context van psychofarmaca bij kinderen met autisme:
1. Het is verstandig om farmacotherapie te zien als ondersteuning of voorwaarde voor het succes van niet-medicamenteuze behandelingen. Deze laatste behandelingen bestaan vrijwel altijd uit het organiseren van een intens (de mate hiervan is afhankelijk van de mate van autisme) gestructureerde omgeving rond een patiënt waarbinnen gedragsveranderingen tot stand gebracht kunnen worden. Alleen bij noodzaak, dus als niet-medicamenteuze behandelingen onvoldoende effect hebben (of niet mogelijk zijn) is medicatie te proberen.
2. Met tussenpozen van 6 maanden tot een jaar moet het effect, de noodzaak en de bijwerkingen van de farmacotherapie door ter zake deskundigen met de ouders en patiënt besproken worden.
3. De oorzaak van autisme wordt toegeschreven aan een genetische aanleg, in interactie met grotendeels onbekende omgevingsfactoren. Hoewel toenemend bewijsmateriaal voor een genetische basis wordt gepubliceerd, blijft men, in afwachting van de daadwerkelijke identificatie van een “autisme-gen”, in het ongewisse over de pathogenese, het ziekteproces van autisme. De huidige waaier aan farmacotherapeutische mogelijkheden is dan ook vooral gebaseerd op het testen van bestaande middelen die voor andere beelden zoals psychose, depressie, angst, dwangmatigheid, agressie of hyperactiviteit voorgeschreven worden.