Onderzoek naar autisme en toestandregulatie

Onderzoek naar autisme en toestandregulatie

Productgroep WTA 2002-1
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

In dit artikel pogen de auteurs, Ruth Raymaekers, Jaap van der Meere en Herbert Roeyers, aannemelijk te maken dat kinderen met autisme en ADHD te onderscheiden zijn in termen van hun fysiologische toestandregulatie. Hieronder verstaan zij de energie die nodig is om de actuele toestand bij te sturen in de richting van een gewenste toestand. Hier volgen enige van hun bevindingen. In een Nederlands – Belgisch samenwerkingsverband zijn er op dit moment studies gaande om het toestandregulatie-deficit bij autisme te toetsen.

Inleiding
Sinds Kanner’s publicatie in 1943 over autisme, zijn veel pogingen ondernomen om het enigma van deze ontwikkelingsstoornis te verklaren. Desondanks is er tot op de dag van vandaag geen consensus bereikt omtrent de etiologie van deze ingrijpende problematiek. Nog ernstiger is dat er nog altijd een effectieve behandeling ontbreekt (Rutter, 1999).
Waarmee gezegd is dat fundamenteel onderzoek zeer wenselijk is. Momenteel is de ‘theory-of-mind’ de meest populaire conceptualisatie van de stoornis, volgens welke, kinderen met autisme met moeite emoties van anderen begrijpen. Hoewel veel laboratoriumonderzoek de theorie lijkt te bevestigen (zie Baron-Cohen, 2000 voor een overview), worden er vraagtekens gezet bij de validiteit van de doorsnee theory-of-mind test (Roeyers, Buysse, Ponnet & Pichal, 2000). Bovendien komen er steeds meer aanwijzingen dat een meer algemeen cognitief deficit, op zijn minst gedeeltelijk, aan de basis ligt van de sociale tekortkomingen die geassocieerd worden met autisme. Zo demonstreerden Pennington en Ozonoff (1996) dat wanneer gecorrigeerd wordt voor IQ en verbale vaardigheden, individuen met hoogfunctionerend autisme (IQ > 80) gelijk de norm scoren op een variëteit aan taken, afgeleid uit de theory-of-mind.
Mede in het licht van deze onderzoeksuitkomsten zijn een tweetal cognitieve theorieën geformuleerd. De eerste is de centrale coherentie theorie (Frith, 1989) waarbij autisme geassocieerd is met de onmogelijkheid informatie in zijn context te verwerken. Informatie wordt niet geïntegreerd in een betekenisvol geheel, maar blijft gefragmenteerd en betekenisloos.
Het meest aanvechtbare deel van de theorie is dat individuen met autisme informatie wel als een geheel kunnen verwerken, indien ze geforceerd worden dit te doen, hetgeen suggereert dat hun stap-voor-stap verwerken van informatie eerder moet gezien worden als een attitude dan als een deficit (Happé, 2000).
De tweede cognitieve theorie is de executieve functie hypothese (Pennington en Ozonoff, 1996; Russell, 1997), waarmee bedoeld wordt dat individuen met autisme moeite hebben met o.a. planning, het verdelen van de aandacht en het onderdrukken van impulsen. Ook deze hypothese is niet zonder problemen. 
Op de allereerste plaats heeft het onderzoek naar de kwaliteit van executieve functies hoofdzakelijk gebruik gemaakt van traditionele neuropsychologische tests zoals de Matching Familiar Figure Test en dergelijke. Het is genoegzaam bekend dat zulke tests een conglomeraat aan cognitieve en motorische vaardigheden tegelijkertijd meten, waardoor een testscore moeilijk te interpreteren is. Ten tweede scoren tal van kinderen met een gedragsproblematiek – anders dan autisme – laag op de bedoelde tests. Met andere woorden, de executieve functie hypothese is niet syndroomspecifiek. Vandaar dat het een wetenschappelijke uitdaging is om executieve functies van verschillende ontwikkelingsstoornissen nader te onderzoeken, met als centrale vraagstelling wat de aandoeningen cognitief gemeenschappelijk hebben, en wat niet.