Aan het eind der dertiger jaren van de vorige eeuw, ik zat nog op de HBS, kocht ik van mijn bescheiden zakgeld voor enkele kwartjes bij een boekenstalletje in de Amsterdamse Oudemanhuispoort een tweetal boekwerkjes, feitelijk bundels houtsneden, gedrukt van de oorspronkelijke houtblokken op Oudhollands geschept perkament. De titels: “Vreselijke avonturen van Scholastica”, geschreven door Jan Walch en “24 Emblemata, dat zijn zinnebeelden”, van A.E. Drijfhout, maar vooral de platen trokken mij bijzonder aan. Deze bundels, samen meer dan 50 houtsneden, zijn uiterst zeldzaam, ze werden uitgegeven in een oplage van slechts 300 genummerde exemplaren. Nu zijn ze een vermogen waard, doordat de blokken, waarmee de boekjes zijn gedrukt later werden vernietigd. Zij waren gesneden door de wiskundig ingestelde M.C. Escher. Hij woonde in de tijd dat ik hem leerde kennen in België, een eenzaam man, die zich het liefst opsloot in zijn atelier. Feitelijk zonderde hij zich van de buitenwereld af, behalve zijn broer en diens vrouw, Otto en Hans de Kat en de dichter Jan van Nijlen, zag hij niemand meer.
Slechts één keer per maand bezocht hij een schaakclub in Uddel. In die jaren begon hij aan zijn nieuwere werk, waarbij sprake is van de voor hem zo karakteristieke volledige vlak- en ruimtevulling, die wij ook bij de kristalvorming zien. Daarbij komen de eeuwigdurende herhalingen, de geleidelijke overgang van dode materie in levende organismen en omgekeerd, waarbij de kringloop van het leven werd gesymboliseerd, steeds meer in zijn werk terug. Ik raakte met hem in correspondentie over deze onder werpen en was verguld toen hij mij in Amsterdam kwam bezoeken. Het verwonderde hem, dat ik nog zo jong was en ik op mijn beurt was compleet verrast toen hij mij op 13 juni 1941 zijn litho “Kringloop” toezond, gesigneerd: “voor I. van der Ploeg, M.C. Escher”. Hij schreef onder meer: “ik hoop, dat u haar als geschenk van mij zult willen aannemen: het is de eerste maal dat iemand van uw leeftijd blijk geeft van interesse voor mijn laatste werk, en dat motiveert dit kleine geschenk voldoende.”
Op deze prent zien wij hoe een blij mannetje, zijn armen omhoog, een trap van een kubistisch huis afstormt en zo zijn eigen ondergang tegemoet snelt. Aan de voet van de trap vergaat hij tot stof en vervormt hij tot een grijze ruit. Hiermee wordt in mijn belevingswereld de Bijbeltekst “In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren.” (Genesis 3;19). Ik zag mijzelf in dat mannetje terug. Het driedimensionale levende lichaam wordt op de trap geleidelijk aan vervormd tot een wiskundig dood tweedimensionaal ruitje. De prent doet ook denken aan de definitie, die in het formuliergebed bij de kinderdoop in de Gereformeerde Kerken wordt gegeven: “Het leven, dat niet anders is dan een gestadige dood.”