Lezing: ASS en seksuele identiteit – vragen en dilemma’s

Lezing: ASS en seksuele identiteit – vragen en dilemma’s

Productgroep WTA 2007-2
drs. R. Emmen | 2007
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Het Autisme Team Noord Nederland (ATN) organiseerde op 19 oktober 2006 het congres Autisme & seksualiteit. Dit congres werd breed opgezet en een scala aan onderwerpen werd besproken door deskundige en gerenommeerde sprekers. Gezien het belang van dit onderwerp voor de klinische praktijk besloot de redactie van het WTA – in goed overleg met de organisatie én alle sprekers – dit congres integraal op te nemen om hiervan verslag te doen in het WTA. In dit kader verschenen inmiddels drie artikelen: ‘Verklaringsmodellen van Autisme & seksualiteit’ (1) en ‘Autisme, seksualiteit en intimiteit’ (2) en (3) ‘Seks@autisme.kom’. Het hier onderstaande artikel is de neerslag van twee workshops die drs. R. Emmen op genoemd congres gaf onder de titel ‘Autismespectrumstoornissen en seksuele identiteit’. Dit is tevens het laatste artikel in deze lezingenserie. De vragen en dilemma’s die Emmen aan de orde stelt zijn even verrassend als indringend. De openhartigheid van dit referaat is kenmerkend voor de sfeer waarin het totale congres zich voltrok en vormt een natuurlijke afsluiting van de artikelencyclus over dit onderwerp.

Introductie 
‘Het belangrijkste doel van deze bijdrage’, zo begint Emmen zijn betoog, is niet om u als aanwezigen eenzijdig en uitputtend te informeren over het begrip seksuele identiteit. Maar wat ik in deze sessie hoop te bereiken is om deels aan de hand van informatie en deels aan de hand van casuïstiek zover te komen dat we met een door het autisme geïnspireerde blik naar het fenomeen van de seksuele identiteit kijken. En – misschien nog belangrijker – (het begin van) een ander perspectief ontwikkelen op de vraagstelling waarmee wij onze autistische cliënten benaderen of niet benaderen als het gaat om hun seksuele identiteit. Een perspectiefwisseling die overigens vooronderstelt dat we ons vragen durven te stellen zonder dat het antwoord voor de hand ligt en waarvan de beantwoording ons verplicht tot een soms moeizame zoektocht.’

‘Het algemene begrip identiteit wordt door de Dikke van Dale omschreven als gelijkheid van naam en persoon, dat wat eigen is aan een persoon in casu eigenheid, kleur, persoonlijkheid en personaliteit. Daarnaast wordt identiteitscrisis gedefinieerd als een toestand van onzekerheid omtrent het eigen zijn. Merkwaardig is echter dat als men in dezelfde Van Dale op zoek gaat naar het begrip seksuele identiteit men geen aanknopingspunten vindt. Dus ben ik gaan Googelen zoals een modern mens betaamt en binnen 0.22 seconden leverde dit 14.600 documenten op met betrekking tot seksuele identiteit. Hieruit zijn direct al een paar dingen af te leiden. In de eerste plaats blijkt dat er over seksuele identiteit veel wordt gedacht, veel wordt gezegd en veel geschreven maar we moeten tegelijk constateren dat – als we dit begrip hanteren in de dagelijkse praktijk van ons opvoedkundig, vormend dan wel klinisch handelen – we spoedig voor het probleem staan dat we lang niet altijd dezelfde taal met betrekking tot dit begrip spreken. Sommigen, ook onder u, leggen het accent op man-vrouw verschillen, anderen spreken over geslacht, anderen weer over seksuele oriëntatie en dan volgt een hele range van invullingen lopend van gender, lichamelijke verlangens, seksuele behoeften, lustbeleving tot en met verschillen tussen homo- en heteroseksualiteit en rolgedrag. Een dergelijke Babylonische spraakverwarring
is des te ingewikkelder als men bedenkt dat het gaat over een doelgroep die vooral gebaat is bij eenduidigheid, duidelijkheid en niet te veel variatie in de benadering en bejegening. Niettemin is het van belang te onderkennen dat seksuele identiteit meer is dan alleen maar man of vrouw zijn. Het gaat om een gelaagd begrip dat verschillende dimensies kent: het fenomeen seksuele identiteit is in onze cultuur multi-dimensioneel.