Autisme is geassocieerd met imitatieproblemen. Sociaalcognitieve theorieën beschouwen imitatieproblemen als een vroege voorloper van een gebrekkige Theorie of Mind. In deze studie wordt de niet-sociale aard van gesturale imitatieproblemen van autistische kinderen onderzocht.Uit de bewegingsanalyse van de imitatiepogingen van kinderen met autisme blijkt niet zozeer de frequentie, maar wel de precisie van de imitaties beperkt te zijn. Twee praxisfouten typeren de imitatieproblemen. Deze kinderen hebben enerzijds meer pogingen nodig om tot een juiste imitatie te komen en anderzijds imiteren ze fragmentair. Spatiotemporele en niet zozeer gedrags- en inhoudsfouten liggen dus aan de basis van de zwakkere imitatie. Deze studie geeft geen steun aan de sociaal-cognitieve hypothese m.b.t. imitatieproblemen. Evidentie is gevonden voor een niet-sociaalcognitieve basis van imitatieproblemen van jonge kinderen met autisme. De relevantie van deze onderzoeksresultaten wordt bediscussieerd in het kader van de recente ontdekking van spiegelneuronen.
Summary
A lack of imitation is common in autism. On the social level, imitation is an early precursor of Theory of Mind.The purpose of this study is to investigate the non-social nature of poor gesture imitation in autistic children. The microanalysis of the imitation performances reveals that autistic children don’t imitate less frequent, but less accurate.Two praxis errors are typical for autism: autistic children need more attempts to imitate and they perform more fragmentary. Neither behavioural errors, nor content errors, but spatiotemporal errors explain imitation problem in autism.These findings undermine the idea that a lack of attention or motivation causes the imitation problems in autism.This study does not support the social-cognitive hypothesis. Evidence is found for a non-socialcognitive base of the imitation problem in autistic children.The relevance of these results in the scope of the recently discovered mirror neurons is discussed.
Inleiding
Imitatie is niet alleen een intrigerend onderwerp omdat het een licht werpt op de ontwikkeling van menselijk sociaal gedrag vanaf de geboorte, maar ook omdat inzicht in de imitatieproblemen van jonge kinderen met autisme kan bijdragen tot de kennis over de pathogenese van deze ontwikkelingsstoornis. Piaget (1945, in Nadel & Butterworth, 1999) definieert imitatie als een actie waarbij een model gereproduceerd wordt op basis van waarnemings-(percepties) en voorstellingsprocessen (representaties).Thorpe voert het criterium ‘ongekende, nieuwe actie’ in. Imitatie is het kopiëren van een nieuwe en/of onwaarschijnlijke actie of uiting, waarvoor klaarblijkelijk geen instinctieve verklaring is’ (Thorpe, 1963 in Butterworth, 1999).
Recent definieert Heyes (2001) imitatie op een meer technische manier. Zij spreekt uitsluitend van imitatie, indien een observator de kenmerken van een lichaamsbeweging van een model exact kopieert. Kopiëren impliceert dus een specifiek causaal verband tussen de observatie van de kenmerken van de lichaamsbeweging van het model (‘features of the model’s body movement fm’) en de uitvoering door de observator van de lichaamsbewegingen met dezelfde kenmerken (‘features of the observator’s body movement fo’). Dit causale verband tussen fo en fm impliceert dat de observator een besef heeft van de intentie van het model.