In dit artikel wordt een onderzoek beschreven bij 25 mensen met autisme en een verstandelijke beperking. Veel herhaalgedrag dat bij mensen met autisme voorkomt wordt in de literatuur ook beschreven bij mensen met een visuele beperking.
In de onderzoeksgroep werden mensen met visuele beperkingen ontdekt, hoewel visuele beperking bij de selectie van de groep een uitsluitingscriterium was. De specifieke methode van meten van visueel functioneren maakte het mogelijk
visuele beperkingen te diagnosticeren die in de leefomgeving van de cliënten onbekend waren.
In de onderzoekspopulatie bleek dat 4 cliënten voldeden aan de WHO-criteria van slechtziendheid. Hieruit kan worden geconcludeerd dat een visuele screening bij mensen met autisme en een verstandelijke beperking wenselijk is. Herhaalgedrag kan zowel voorkomen als gevolg van autisme als van een visuele beperking. Bij de interpretatie van gedrag moet met beide stoornissen rekening worden gehouden.
Summary
This article describes a study involving 25 people suffering from autism and an intellectual disability. Much repetitive behaviour manifested by people with autism is also described in the literature on people with a visual impairment. In the research population, people with visual impairments were discovered, despite the fact that visual impairment had been an exclusion criterion.The specific method used for the measurement of visual functioning made it possible to diagnose visual impairments unknown in the everyday environment of the clients.
In the research population, 4 clients met the WHO criteria for partial sightedness. It can be concluded from this fact that a visual screening of people with autism and an intellectual disability is necessary. Repetitive behaviour may occur both as a result of autism or as a result of a visual impairment.When interpreting behaviour, both disorders must be taken into account.
Inleiding
We willen in dit artikel een verslag geven van onderzoek naar het gezichtsvermogen van mensen met autisme en een verstandelijke handicap. We bespreken achtereenvolgens:
• de aanleiding om dit onderzoek uit te voeren,
• de speciale methode die is gehanteerd bij het visuele functie onderzoek,
• de belangrijkste resultaten.
Visuele stoornissen bij mensen met een verstandelijke handicap
Visuele stoornissen komen bij mensen met een verstandelijke handicap beduidend meer voor dan in de gehele populatie. Meestal uiten deze mensen niet direct klachten over hun gezichtsvermogen; daarbij hebben mensen met autisme veel moeite met het duidelijk maken wat hen scheelt. Ook de directe omgeving blijkt niet altijd goed te kunnen beoordelen of er bij een cliënt al dan niet een visusvermindering is (Evenhuis, 1995a; De Jong & Gunther, 1998; Gunther, 1993; Schrijnemakers & Gunther, 1996; Smink, Eerdmans-Dubbelt,Van Woude, 1992).
In de literatuur over autisme wordt vaak melding gedaan over abnormale reacties op zintuiglijke prikkels. Veel stereotiep gedrag van mensen met autisme wordt toegeschreven aan het vermijden van stimulatie, bijvoorbeeld het bedekken van de ogen en oren met de handen, of juist aan het zoeken van stimulatie, zoals bijvoorbeeld bij het richten van alle aandacht op het geluid van een draaiend object of op het patroon van licht en schaduw van een draaiende ventilator (Frankel, Freeman, Ritvo, Chikamin & Carr, 1976). In talrijke experimenten is geprobeerd een direct verband aan te tonen tussen autisme en disfuncties in de waarneming.
Hoewel de resultaten niet consistent zijn, vooral als gevolg van methodologische problemen, is er voldoende grond om aan te nemen dat er sprake is van een verstoring in het waarnemingsproces (DeMyer, Hingtgen & Jackson, 1981). Recenter onderzoek richt zich op de vraag of het autisme te wijten is aan verstoringen van de perifere of centrale waarnemingssystemen, of aan een storing op cognitief niveau. Ook hier zijn de resultaten niet eenduidig (Frith & Baron-Cohen, 1987;Volkmar & Mayes, 1990).