De computationele theorievorming van de informatieverwerking biedt weinig ruimte voor intenties. De tegenhanger, de intentionele theorievorming, beschouwt intenties juist als een belangrijk onderdeel van de architectuur van informatieverwerking. Beide stromingen ontmoeten elkaar wanneer ik de interpretaties bespreek van de empirische bevinding dat de amplitude van de event-related hersenpotentiaal, ‘de P3b’, bij mensen met autisme tijdens taakuitvoering gereduceerd is. Volgens de computationele invalshoek weerspiegelt dit inadequate informatieverwerking. De interpretatie van de intentionele theorievorming is dat geen extra energie ingezet hoeft te worden om een taak tot een goed einde te brengen: de informatieverwerking verloopt adequaat. In mijn betoog zal ik proberen aannemelijk te maken dat de intentionele benadering veelbelovend is om te leren begrijpen hoe mensen met autisme omgaan met taakeisen.
SUMMARY
A reduced event related brain potential, the P3b, is constantly reported while people with autism are executing cognitive tests. Considering the choice of the experimental designs, type of analyses and interpretations it appears that most of the research relies on so-called computational models of cognition with little eye on intentional aspects of task execution such as motivation. To understand the cognitive characteristics connected with autism it is advocated to research the attention capacity in tandem with intentional factors, put under the umbrella of effort allocation.
Midden jaren 60 van de vorige eeuw kwam wetenschappelijk onderzoek in opkomst naar de betekenis van de event-related hersenpotentiaal (ERP), de P300, met pioniers als Chapman en Bragton (1964). Later raakte de term P3b in zwang. De potentiaal indiceert geen fysische eigenschappen van de te verwerken stimulus (zoals stimulus-intensiteit) maar interne, mentale en cognitieve stappen die tot een respons leiden. Vandaar de term: endogene component. Aanvankelijk werden P3b studies uitgevoerd bij mensen zonder mentale problematiek om de eigenschappen van de hersenpotentiaal te leren begrijpen. Overigens, dergelijk onderzoek vindt plaats tot op de dag van vandaag. Het zou mij niet verbazen wanneer de P3b de meest onderzochte EEG component is, getuige tijdschriften die maandelijks worden uitgebracht, zoals de Journal of Psychophysiology en Journal of Biopsychology.
Al snel werd de methodologie ook ingezet om de snelheid en accuratesse van de informatieverwerking te meten bij klinische populaties (mentale chronometrie). Is het traag of juist te snel reageren op stimuli met daarbij het maken van veel fouten bij bedoelde populaties, het gevolg van gebrekkig opnemen van informatie, het inadequaat verwerken ervan en/of het gevolg van haperende motorische processen? Zie bijvoorbeeld de review van Pirila en Van der Meere (2010) die met behulp van de ERP-methodologie aannemelijk maken dat een motorische problematiek, zoals cerebrale parese, een op zich intacte cognitie, negatief kan overschaduwen. En om nog even bij de relatie tussen cognitie en motoriek te blijven, ook de rol van de potentiaal, bij het zogenaamde ‘rehabilitation engineering’, is indrukwekkend. Hierbij wordt de potentiaal als mentale prothese ingezet bij Brain Computer Interfacing (BCI)-technieken om ‘inner speech’ te meten bij mensen die vanwege hun ernstige motorische problematiek zich niet of moeilijk kunnen uiten. Voor een baanbrekende publicatie op dit gebied: zie Donchin et al. (2000). Al met al kunnen we concluderen dat het P3b-onderzoek een hoeksteen vormt van wat tegenwoordig als neuroscience wordt aangeduid.