Dit artikel beschouwt de relatie tussen autisme en taalontwikkelingsstoornissen, klinisch en vanuit ontwikkelingsneurologisch standpunt. Auteur dezes is van mening dat men formele gesproken taalstoornissen gescheiden moet zien van de stoornissen die het wezenskenmerk van autisme uitmaken. Het belangrijkste argument hiervoor is dat er zeer veel kinderen zijn met gesproken taalstoornissen zonder enig autistisch kenmerk. Taalstoornissen zonder autisme hebben vaak negatieve gevolgen voor het gedrag (Njiokiktjien, 2005). Alle kinderen met autisme hebben een vorm van taalstoornissen. Deze versterken het autistische gedrag, en omgekeerd, autisme remt de gesproken taalontwikkeling. Het feit dat bij autisme altijd taalstoornissen in variërende mate voorkomen, heeft gevolgen voor de prognose, de diagnostiek en de behandeling.
Summary
In this article the relationship between autism and developmental language disorders will be discussed from a clinical point of view and from a developmental neurological angle as well. The present author takes the position that one has to separate formal language disorders from disorders which are key characteristics of autism. The main argument for this thesis is that there are many children with developmental language disorders without any sign of autism. Developmental language disorders (without autism) often have a deleterious influence on behaviour (Njiokiktjien, 2005). All autistic children have a form of language disorder, which makes their autistic behaviour worse, and the other way round, autism acts as a brake on spoken language acquisition. The existence of language disorders of varying degree and varying nature in autistic children has consequences for prognosis, assessment and treatment.
Inleiding
De relatie tussen taal en autisme is complex en kan onder andere begrepen worden wanneer men de spraak-taalontwikkeling en de sociale cognitie functioneel en in hun veranderende neurale substraat beschouwt. Daarbij is de door Vygotsky gesuggereerde controle van het gedrag door de taal van de opvoeder cruciaal. De kenmerken van drie door hem beschreven stadia – de sociale spraak-taal, dan de egocentrische spraak-taal en vervolgens de innerlijke taal – lijken bepalend voor het gedrag van het kind bij taalstoornissen met en zonder autisme.
Gemakshalve spreken we in het hele artikel van ‘taalstoornissen’, terwijl het vaak spraak-taalstoornissen in de ontwikkeling zijn. Dit wordt bij de taalstoornissen uitgelegd. Gedragsproblemen bij autisme met taalstoornissen moeten onderscheiden worden van gedragsstoornissen bij taalstoornissen zonder autisme. Problemen in de literatuur over de relatie taal-autisme worden veroorzaakt door definities waarbij ‘taalstoornissen’ ongedifferentieerd gebruikt worden als bepalend kenmerk van autisme. DSM-IV (categorie 299.00, autistische stoornis) stelt bij de criteria duidelijk: ...punt A. (1) achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaand met een poging dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen). (2) beperkt vermogen een conversatie te beginnen of te onderhouden, en (3) stereotiep, repetitief en ideosyncratisch taalgebruik...