Autisme kent een korte, maar intensieve onderzoekstraditie. Er zijn met name drie belangrijke theorieën ontwikkeld, de theorie van de Theory of Mind, de theorie van de (Weak) Central Coherence en de theorie van de Planning and Executive Function. Geen van deze theorieën bieden echter een omvattend en verklarend beeld van autisme. De theorie van het socioschema meent dat wel te bieden. Het uitgangspunt van het socioschema is autisme als een variant van ontwikkeling in plaats van een disfunctioneren.
Summary Autism has been the subject of intensive research and theory development. Up until now, it is the best validated psychiatric developmental disorder.The most important theories are the Theory of Mind, the (Weak) Central Coherence and the Planning and Executive Function. Each theory has its own explanatory power. However, all three theories fail to offer a causal and encompassing explanation of autism with all of its aspects.The theory of the socioscheme pretends to give a full explanation and views autism as a variant reading in a developmental sense.
Autisme heeft de mens altijd geïntrigeerd, zowel de positieve als de negatieve aspecten ervan. Het is in wezen, zoals Francesca Happé (1994) zegt, een stoornis van het menselijk zijn. Het raakt de mens in zijn fundament: de sociale interactie. Het dankt zijn naam aan het extreem in zichzelf gekeerd zijn, autos.Autisme is universeel en tijdloos; herkenbaar vanuit een vast patroon van gedragingen in verschillende landen en over verschillende culturen heen (Frith, 1989; Happé, 1994).
Theorieën over autisme
De theorievorming over autisme is nog jong, hoewel de onderzoeksbelangstelling en validering groter is dan bij welke kinderpsychiatrische stoornis ook (Berckelaer, 1992; Bailey, Phillips en Rutter, 1996). De basisartikelen van Kanner (1943) en Asperger (1944/1991) zijn belangrijk geweest, maar komen pas de laatste tijd tot hun recht. Het artikel van Kanner heeft in eerste instantie een andere wending gekregen onder invloed van Bettelheim (1967) die Kanner’s opmerkingen over de ouders van autistische kinderen interpreteerde als dat autisme veroorzaakt zou worden door de opvoeding van een koude, dominante moeder.
Lange tijd is het denken over autisme en de hulp aan autistische mensen hierdoor beïnvloed. In het verlengde van Bettelheim ontwikkelde Lovaas (1987) een gedragstherapeutische hulp aan autistische kinderen op basis van het idee van ‘geleerd’ in plaats van ‘aan-geboren’ gedrag. Kanner zelf was hier zeer verontwaardigd over. Hij riep in 1969 tijdens een vergadering van de American Psychiatric Association geëmotioneerd uit: Ouders, ik ontschuldig u! (Sullivan, 1994). Hij stelt reeds in zijn oorspronkelijk artikel dat bij autisme de biologische factor vermoedelijk een belangrijke rol speelt en dat de eigenschappen van de kinderen in de ouders terug te vinden zijn. Het huidige onderzoek naar biologische en erfelijke factoren stelt hem in het gelijk. Het artikel van Hans Asperger, dat vele overeenkomsten toont met het artikel van Kanner, formuleert de erfelijke kwestie nog duidelijker. Dit artikel was echter in het Duits geschreven en werd pas ontsloten voor het Engelse taalgebied door de vertaling door Uta Frith. Het heeft een enorme impuls aan het onderzoek naar autisme gegeven en toont het diepe inzicht van Asperger in autisme. Hij is degene die sprak over polygenetische overerving, iets wat nu alom aanvaard wordt. Inmiddels blijkt dat meerdere chromosomen bij autisme betrokken zijn (Consortium, 1998; Gillberg, 2000).