Ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de NVA bespreekt C.Weber in dit artikel de opkomst van de ouderverenigingen in Nederland in het algemeen en van de NVA in het bijzonder. Naast enige historisch-sociologische bepalingen wordt de betekenis van het werk van de georganiseerde ouders voor het aanzien van de zorg nu en in de toekomst besproken.
Summary
In this article, C.Weber takes the opportunity of the 25th anniversary of the NVA to discuss the rise of parent organisations in general in the Netherlands and the rise of the NVA in particular.The significance of the work of these organised parents in relation to healthcare now and in the future, including some historical and sociological conditions is discussed.
Dit jaar viert de NVA haar 25-jarig jubileum. Haar officiële geboortedatum: 31 oktober 1978. Maar de wortels van de NVA liggen dieper in de geschiedenis: de vijftiger jaren van de vorige eeuw. In die jaren ontstonden de eerste verenigingen van ouders van – toen zogeheten – zwakzinnige of geestelijk gehandicapte kinderen. Hun ontstaan was globaal gesproken het gevolg van een drietal factoren (Weber, 1985;Ter Haar, 1995).
1) Er was sprake van een uiterst bescheiden omvang van zorg. Belangrijkste oorzaak hiervan is dat gerichte (specifieke) zorg voor mensen met een verstandelijke handicap pas laat op gang kwam. Vóór 1850 was men zich van het bestaan van zwakzinnigen niet of nauwelijks bewust. Zij vormden feitelijk geen maatschappelijk probleem. De samenleving was relatief eenvoudig en stelde geen hoge eisen. Veel zwakzinnigen stierven ook jong door gebrek aan medische voorzieningen. Voor zover er al sprake was van zorg bleef deze beperkt tot ‘isoleer’-zorg in de rooms-katholieke ‘liefdesgestichten’, in daklozenasiels (grote steden), de armenhuizen,‘dolhuizen’ of eenvoudigweg in gevangenissen en tuchthuizen (Dickmann, 1986).
De eerste gerichte zorg begint in Nederland niet vanuit de sfeer van de residentiële opvang maar vanuit het onderwijs. De ideeën uit de Verlichting leidden in Europa tot een opvoedingsoptimisme dat de basis vormde voor initiatieven tot het geven van onderwijs aan gehandicapten. Bekende voorbeelden in dit verband zijn mensen als Jacob Rodrigues Pereire (rond 1750: ontwierp een gebarentaal voor doof- stommen); Jean Itard (rond 1800) en de Zwitser Jacob Guggenbühl, die in zijn instituut de ‘Ábendberg’ (bij Interlaken) zich richtte op het opvoeden van mensen met een ernstige mate van zwakzinnigheid.
Vanuit deze initiatieven kwam in Nederland de eerste ‘ídioten’-school tot stand, beter bekend als de Haags idiotenschool opgericht in 1855 met als drijvende kracht ds. C.E. van Koetsveld (Teunissen, 1984; Van Gennep, 1985; Jak, 1988).
Vervolgens stond de Leerplichtwet (1901) samen met het bekend worden van de Binet-Simon intelligentietest aan de basis van een stijgend aantal debielenscholen.